
Vogels op de begraafplaats
Vandaag, 13 September 2026 zou mijn vader 92 zijn geworden. Hij overleed op 7 Oktober 2022. Ik had nog net, samen met onze Regenboogprins en mijn lief zijn 88e verjaardag gevierd in de zorginstelling waar hij sinds enkele weken verbleef. Mijn vader begreep niet meer goed waar hij was. Toen we even naar buiten gingen, hij zat in een rolstoel, keek hij in de tuin met verwondering naar het gebouw, “Wat een mooi gebouw, is dat het gemeentehuis?” zei hij. Het stak me dat hij niet meer in zijn eigen vertrouwde huis kon wonen, hoe aardig alle verzorgenden ook waren. Zijn hart was niet sterk meer. Hij leed aan nawerkingen van bestralingen voor blaaskanker. Hij had dementie. Ik heb vaak gedacht: “gelukkig hoefde hij daar niet lang te wonen”. Twee dagen voor zijn overlijden was ik bij hem in het ziekenhuis met mijn zusje en moeder. Hij was, zoals altijd, blij om ons te zien. Hij keek naar buiten en zag iets wat wij niet konden zien. “Zien jullie die vogels? Prachtige vogels zitten daar!” zei hij. Ik wist toen nog niet dat hij twee dagen later zou zijn weggevlogen met de vogels die hij had gezien.
De doden zijn de vogels die vliegen tussen het paradijs en de aarde.
Dit, ik denk Arabische, spreekwoord hoorde ik tijdens een voorstelling afgelopen jaar. Het past mooi bij het beeld dat ik had van mijn vader, die vleugels kreeg en wegvloog. Later zag ik hem lopen, in voor mij onherkenbare landschappen, met een korte broek en zijn dikke kuiten in stevige schoenen, een deuntje neuriënd.
Nu wandel ik over de begraafplaats naar zijn graf. Ik ben al een tijdje niet meer geweest. Mijn vader ligt op een natuurbegraafplaats in het bos, op een plekje dat ik iedere keer moet zoeken, omdat met ieder seizoen het bos verandert. Gelukkig is er die hele specifieke boom, vlak achter zijn plek. De vogels fluiten. De heide, deels nog in bloei, draagt vele spinnenwebben. De zon schijnt. Dante, mijn hond, snuffelt aan de houten gedenkschijf en gaat dan op het graf liggen. Dat voelt goed. Mijn lieve oude hond, zo dicht bij de resten van mijn vader.
Ben je hier nog?
Ik vraag het hem. “Soms” zegt hij. “Als ik even uit wil rusten. Het is een fijne plek hier.” Verder zegt hij niets. En ik ook niet. Ik voel de ochtendzon op mijn huid, en de frisheid van de septembermorgen.
Ik bedenk me dat mijn vader sowieso niet zo van het goede gesprek was. Hij hield van gezelligheid en verhalen vertellen over alles wat hij had meegemaakt. Maar diepe gesprekken had ik niet met hem, niet als kind, niet als tiener en niet als volwassene. Het was niet ‘het gesprek’ wat me met hem verbond. Het was iets anders. Mijn vader was niet een intellectuele man, maar wel een man vol liefde, en hij hield ervan zichzelf te ontwikkelen. Hij bleef de opleidingen doen die nodig waren om verder te komen, tot ver in zijn laatste jaren. Hij hield van zingen, en zat een tijd bij een mannenkoor waar hij heel erg van genoot. Het is meer het zintuiglijke wat mij zo aan hem verbond. De klank van zijn stem als hij zong. Maar ook zijn ogen die konden schitteren van plezier en vuurspuwen van woede. Ik herinner me zijn armen om me heen als hij voorlas uit de sprookjes van Grimm, het grote boek met de mooie tekeningen, en het verhaal van prins Lijsterbaard dat ik altijd zo mooi vond. Ik herinner me dat hij me ophaalde van het station als het regende, dat we een visje gingen kopen op zaterdag, dat hij me regelmatig wat geld toestopte tijdens mijn studie-tijd. Ik hoor nog altijd zijn stem in mijn hoofd die zegt dat hij trots op me is om wie ik ben en wat ik doe. Van de laatste jaren herinner ik me hoe hij samen met de Regenboogprins cijferpuzzels maakte, ook al wist hij niet meer precies hoe het ging. En ik herinner me die armen die altijd sterk bleven en zich even om me heen sloten als ik binnenkwam of wegging. Het is de onvoorwaardelijke liefde die ik altijd heb gevoeld. Het is nog steeds de grond waarop ik sta, dat ik me zo liefgehad wist door mijn vader.
Ik verlaat het graf, loop met de hond verder door het bos en stel me mijn vader voor in het leven hierna. Dat hij bijvoorbeeld mijn collega Danielle, die afgelopen jaar overleed aan borstkanker, tegenkomt en met haar in gesprek raakt. Dat zij enthousiast vertelt over de dingen die zij en ik samen deden en dat hij haar bewonderend aankijkt om alles wat ze heeft gerealiseerd. Dat zij over haar kinderen en haar man vertelt en over hoe belangrijk de liefde was in hun leven. En dat hij zegt: “Wat mooi dat je zo’n leven hebt geleid, en wat naar dat het al zo vroeg moest eindigen, maar wat fijn dat je iets belangrijks hebt gedaan voor mensen in de marge van de samenleving, dat je hen opbouwde en beschermde. Je man en je kinderen zullen de liefde die jij met hen deelde altijd met zich mee blijven dragen.”
Daarna neemt hij hartelijk afscheid en loopt door naar mijn tante Truus om met haar te gaan salsa-dansen; en daarna gezamenlijk een krentenbol eten, met roomboter en kaas, en een kopje melk of karnemelk erbij, net zoals ze tijdens het leven deden. Tenslotte zoekt hij mijn ome Jan op, en zijn broers Klaas en Harm om samen over hun jeugd en latere echtgenoten te spreken. En daarna haalt hij zijn ouders op en gaan ze varen, over hemelse zeeën… of ze vliegen weer weg als vogels, richting het paradijs. En ik weet me verbonden met mijn vader, dwars door de grenzen van leven en dood heen. Fijne verjaardag papa. Ik ben trots jouw dochter te zijn.


